Veiligheid

Weet je waar ik echt extreem van kan genieten?

De inloop ’s ochtends.

Mensen die mij persoonlijk kennen, vallen nu misschien van hun stoel van verbazing. Je kunt me namelijk van alles noemen, maar “een ochtendmens” ben ik niet. Ik heb geen last van een ochtendhumeur, ben ook niet chagrijnig, maar ik hou gewoon heel erg van slapen en lekker lummelen ’s morgens. En tja, dat kan doordeweeks gewoon net iets minder goed.

Waarom ik dus toch heel erg van de inloop hou, zal ik je vertellen. Het heeft alles te maken met veiligheid en je veilig voelen in de groep.

De eerste weken na het starten van het schooljaar, ben je actief bezig met elkaar beter te leren kennen. Als leerkracht probeer je te doorgronden waar de behoeftes van je leerlingen liggen. Op welke cognitieve of sociale gebieden hebben de leerlingen hulp nodig? Wat zijn de sterke kanten? Op welke vakgebieden heeft de leerling uitdaging nodig? En hoe kan ik dit het beste aanbieden? Maar ook, wat voor type kind is het?

Na een aantal weken kom je in zo’n heerlijke modus dat jij de kinderen kent, maar zij jou ook, inclusief je gewoontes en je rituelen. En dan zijn de ochtenden heerlijk.

Ik probeer er altijd voor te zorgen dat ik ’s ochtends niet meer zoveel hoef en dus lekker de tijd kan nemen om alle kinderen individueel aandacht te geven. Na het afkoelen in de airco, (omdat ik de berg op ben gefietst in veel te tropisch klimaat), een snelle douche en een lekker kopje koffie, ben ik klaar voor de dag

Tegen die tijd komen de kinderen rustig binnen gedruppeld. Vaak in dezelfde volgorde, aangezien de bussen meestal op hetzelfde tijdstip aankomen. Sommige kinderen komen een hand geven, andere kinderen groeten liever en duiken in hun boek. De een vertelt enthousiast een verhaal en rent vervolgens nog even naar buiten voor een fijn potje voetbal en weer een ander gaat verder met de puzzel van Europa met nog veel te veel stukjes ‘blauw’ van de zee.

Rond kwart over acht verlegt de focus zich van ‘wakker worden’ (zowel voor de leerkracht als voor de leerlingen) naar ‘verhalen delen’.

Vaak begint het met één leerling die iets persoonlijks komt vertellen aan mij. Doordat de sfeer in de groep veilig voelt, haken daar al snel andere kinderen op aan. Prestaties worden gevierd en complimenten worden uitgedeeld. Bij vervelende nieuwtjes wordt troost geboden en tips gegeven. Bij verwachtingen en ‘zo’n zin in…’ wordt enthousiasme gedeeld en aangehaakt op eigen ervaringen. Het bijzondere aan deze gesprekken is dat ik er in betrokken word, maar dat ik geen leiding hoef te geven. Het enige wat ik hoef te doen is mezelf zijn en laten zien hoe je oprecht empathisch reageert.

En dan kan het maar zo zijn dat ik voor half negen al het belangrijkste voor die dag heb aangeleerd.

Belonen

Beloningssystemen. Ik krijg er de kriebels van. Dit heeft twee redenen.

  1. Ik kan het niet.
  2. Je hebt dan dus blijkbaar een ‘winnaar’ van de dag/klas.

In het tijdperk voor het Smartboard werd de score bijgehouden met bloemetjes of zonnetjes op het bord per team. Tegenwoordig zou ik hem met een klik via Gynzy Tools op mijn Smartboard kunnen laten zien. Ik vertik het.

Na de PABO heb ik een tijdje ingevallen op veel verschillende scholen en kwam ik dus met veel verschillende vormen van klassenmanagement in aanraking. Eigenlijk ging het toen meteen al mis bij mij.

De twijfel of bepaald gedrag een gekleurd bloemblaadje verdiende. Het vervelende gevoel van macht om een blaadje wel of niet in te kleuren (of erger nog: weg te vegen!). Het oneerlijke gevoel dat het gedrag van één leerling een heel team kon benadelen of zelfs een hele klas. Welke beloning hang je vast aan een geheel ingekleurd bloemetje of zonnetje? En wat doe je dan met het team dat het niet ‘gehaald’ heeft? Laat je die dan binnen zitten? Of doorwerken? En dan heb ik het nog niet eens gehad over de discipline die dit alles vergt van de leerkracht. Daar gaat me toch veel tijd inzitten! Ik geef liever les.

Naast dat ik het een heel gedoe vind, kan ik er ook bij voorbaat al buikpijn van krijgen wat dit gaat doen met de sfeer in je groep. De verandering dat ‘normaal gedrag’ ineens beloond zal moeten worden is gigantisch. Weg intrinsieke motivatie, hallo extrinsieke motivatie.

Kinderen zijn super slim en weten dus dondersgoed wie de meeste en vooral de minste punten heeft. Ik kan me de gesprekken al voorstellen aan de eettafel. En wat denk je dat dit met het geluk en de intrinsieke motivatie van een kind doet die nog nooit ‘de beste’ van de klas is geweest?

Ik leg veel liever uit waarom het normaal is om te luisteren als iemand wat vertelt. In het echte leven krijg je ook geen sticker als je als eerste aan je bureau zit. En in sommige situaties is het juist heel goed om even op te staan en toont “voor je beurt praten” een gigantische betrokkenheid. En lukt het een dagje niet, praat dan eens één-op-één met die leerling en vraag waar de knelpunten en behoeftes liggen. Of beter nog, kijk eens naar je eigen gedrag en voorbereiding. Had je misschien iets eerder die energizer moeten inzetten?  Als leerkracht heb jij dit (als het goed is) in de hand en heb je mijns inziens dit machtsmiddel helemaal niet nodig.

Of ik dan helemaal niet beloon? De hele dag door. We vieren van alles, applaudisseren, waarderen, lachen en complimenteren. Goed voorbeeld doet immers goed volgen. Ik complimenteer persoonlijk en klassikaal; vooruitgangen die ze op cognitief – en sociaal emotioneel vlak hebben geboekt, zorgzaam gedrag, behulpzaamheid, eerlijkheid, dapperheid, netheid, mooie verwoordingen en goeie grappen.

Dat doe ik bij alle kinderen, niet alleen bij de engeltjes.

 

* De uitzondering zit hem bij mij bij kinderen met ernstige gedragsproblemen. Daarbij kan een beloningssysteem een goed middel zijn.

 

 

 

Tevredenheid

Eigenlijk kan ik dit blog heel kort samenvatten: “Je bent nooit klaar”.

Op de PABO heb ik veel verschillende vakken gehad: pedagogiek, geschiedenis, rekenen, schrijven. Tijdens mijn stages leerde ik administreren, observeren, kinderen corrigeren, begeleiden, grenzen aangeven, differentiëren en nog veel meer. Heel nuttig en waardevol en absoluut een voorbereiding op wat komen gaat. Maar wat ze je eigenlijk moeten leren is: “Hoe zorg je voor een tevreden gevoel na een dag hard werken?”.

Het leukste, maar ook meteen het moeilijkste van het vak leraar, is het werken met mensen. En al die mensen in jouw groep, hebben bepaalde behoeftes: meer instructie, een luisterend oor, een aai over hun bol, een duidelijke planning, beweging, rust, meer uitdaging (maar wel begeleiding), een aantrekkelijke omgeving, het wifi wachtwoord, grenzen, geduld en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Het idee dat de leerkracht klaar is met werken op het moment dat de laatste leerling de deur achter zich dicht trekt, hoef ik hier hopelijk niet meer te verantwoorden.

Want naast de behoeftes van je leerlingen die je dagelijks als leerkracht signaleert, zijn er uiteraard ook nog doelen die de school zou willen behalen, de rapporten, dat leuke schoolkamp en “De week van de/het…..”(vul een willekeurig zelfstandig naamwoord in naar keuze). Dus naast dat ene to-do-lijstje wat je als leerkracht voor je groep hebt gemaakt, wordt dat net iets te gemakkelijk uitgebreid. Voeg aan dit lijstje nog een scheutje wensen, dromen en verwachtingen van ouders toe en hoplakee: de week is weer gevuld.

Wat ze je dus eigenlijk op de PABO zouden moeten leren is: tevredenheid en prioriteiten stellen. 

  • Nee, niet alle werkbladen hoeven het perfecte plaatje. Houd je doel van je les in de gaten.
  • Nee, die stapel nakijkwerk hoeft niet mee naar huis (ooit vroeg een wijs-collega aan mij als startend leerkracht: “Wat is het ergste dat er kan gebeuren als je vandaag eens een keertje niet nakijkt?”)
  • Nee, niet alle flitskaartjes hoeven te worden gelamineerd. Volgend jaar wil je ze toch weer anders.
  • Nee, die laptop hoeft niet mee naar huis. Voor je het weet zit je weer tot 9 uur je lessen nog leuker te maken.
  • Kan het ook morgen? Vaak wel!

PABO diploma inmiddels in de zak, maar deze lessen gemist? Zorg dan voor een fijne collega als sparringpartner, die je af en toe weer met beide benen op de grond zet. Doe datgene waarvan jij vindt dat dit echt morgen in de groep belangrijk is. Blijf kijken naar de behoeftes van jouw kinderen en praat met ze. Kinderen weten vaak veel beter waar precies het knelpunt zit. Deel op tijd je zorg met ouders en verdeel taken en verantwoordelijkheden.

En, niet vergeten! Af en toe met een lekker glaasje wijn tevreden terugblikken op wat er allemaal al wel heel goed gaat.

 

Sarcasme

Juf of meester spelen, werkt denk ik niet. Kinderen prikken er meteen doorheen, nemen je niet serieus. Nee, kinderen houden van echt. Wat dat betreft zijn het net mensen.

Ik kan sarcastisch zijn in mijn prive leven en dus merk je dat ook als je eens een kijkje komt nemen in mijn groep. Wel weet ik, dat een veilige basis van levensbelang is. De kinderen moeten weten wie je echt bent en wat jouw waarden en normen zijn. Ook expressie, toon en lichaamshouding zijn ontzettend belangrijk: knipoog, lach, heb oogcontact, geef echte schouderklopjes, trek aan een staartje.

Ik zal sarcasme nooit inzetten om een kind (publiekelijk) voor gek te zetten. Krijg al buikpijn als ik daar aan denk. Nee, ik gebruik sarcasme voor de ‘brave burgers’ in mijn groep. Voor de kinderen die vragen om het vragen. Voor de kinderen die het heus wel weten, maar iets zelfstandiger mogen worden. Voor deze kinderen is sarcasme goed en soms een opluchting.

“Juf, ik heb het af. Wat moet ik er nu mee doen?” “Gooi maar uit het raam.” of “Juf, ik heb per ongeluk opdracht 2 ook gemaakt, terwijl dat helemaal niet hoefde.” “He, gatver, ik heb een hekel aan ijverige kinderen!”

Leuk is het om te merken dat kinderen het ook van je gaan overnemen.

Na een uitgebreide uitleg over het maken van een boekverslag in groep 8 staan er nog wat leerlingen om me heen.                                                                                                                                                                   Leerling 1: “Juf, dus over twee weken moet ik dit formulier ingevuld weer bij je inleveren?”                   Leerling 2: “Nee, juf wil dat je gewoon weer een leeg formulier bij haar inlevert.”

Sterk.

Het meest voldane gevoel kreeg ik eens bij deze leerling. Dit meisje is slim, heeft al in 3 verschillende talen les gehad en zit nog maar in groep 7. Ze is gigantisch ijverig, ontzettend precies en perfectionistisch. Typ-ex en een gum zitten standaard in haar etui, want stel je voor dat ‘men’ ziet dat er een foutje is gemaakt. Een proeftoets maken is voor haar een zware dobber, want ze moet alles in 1 keer goed doen en begrijpen, anders is ze kwaad op zichzelf. Hebben we een goed beeld? Komt ‘ie.

We zijn bezig met een spellingles. Bij de eerste opdracht is het de bedoeling dat ze bij een grote tekening woorden schrijven waar een ‘au’ of ‘ou’ in voorkomt. Het werkboek is niet helemaal duidelijk, want er is nergens schrijfruimte. Ik geef dus ook aan: “Schrijf het er maar een beetje omheen.” Bij mijn ronde in de groep kom ik bij dit meisje aan haar tafel en ze vraagt: “Wat bedoelen ze hiermee?” “Dat is een aula.” “Ow, die had ik hier (wijst in haar schrift een andere plek aan) geschreven.” Ik reageer: “Wat verschrikkelijk!” Een lach breekt door op haar gezicht: “Ik dacht al dat je vet kwaad zou worden.”

Mogen vs Moeten

Iedere leerkracht herkent dit type leerling wel en vaak heb je er minstens een per jaar in je klas zitten: de leerling die alles graag letterlijk neemt.

Dit kan prettig werken. Het enige wat er van jou wordt verlangd is dat je duidelijk bent. Doe je dat? Niks aan de hand. Maar goed, we zijn allemaal mensen en zijn soms niet zo duidelijk als we zelf hopen of denken dat we zijn.

Zo confronteerde een leerling mij eens met het feit dat ik erg vaak het woord ‘mogen’ (en alle variaties hiervan) gebruik. Dit liet hij mij de eerste week van het schooljaar meerdere keren per dag weten door op een opdracht zoals “Dan mag je nu even je rekenschrift pakken” te reageren met “Oh, het mag, dus het moet niet?”. De eerste paar keer ging dit gepaard met een toevoeging als “Dan doe ik het niet” in combinatie met een uitgestrekt gezicht en stiekem lachje.

Ik werd getest, dat was duidelijk. De eerste twee dagen negeerde ik dit totaal. Gewoon doorgaan met waar ik mee bezig was, de rest van de groep deed wel wat ik ze vroeg. Vanuit mijn ooghoeken hield ik hem uiteraard goed in de gaten. Geen reactie bleek goed te werken, want na een paar minuten kwam hij erachter dat het geen effect had en dat het mij ook totaal niet van mijn stuk bracht. Tja, dan is meedoen toch handiger.

Op dag 3 besloot ik er eens op te reageren en uit te leggen wat mijn gevoel was bij de woorden ‘moeten’ en ‘mogen’. (Sowieso ben ik een groot voorstander van het uitleggen wat iets of iemand met je gevoel/humeur doet, maar daarover later meer).

Moeten staat voor mij gelijk aan: dwingen, bevelen geven, verplichten, de baas spelen, tegen je zin in. Voor mij allemaal geen prettige associaties. Mogen daarentegen vind ik veel prettiger. Dit voelt meer als: een keuze maken, helpen, suggereren, een leidraad geven, begeleiden.

Het feit dat hij vrijwillig in deze klas zat en ik toch niks kon beginnen als hij besloot niet mee te doen met de lessen gaf hem het inzicht dat hij aan de ene kant macht had over zijn situatie, maar tegelijkertijd dus ook zelf verantwoordelijk was voor zijn situatie. Door dit uit te spreken kon het door hem niet meer als ‘machtsmiddel’ worden gebruikt en was het voor zijn klasgenoten ook meteen duidelijk.

De reacties op mijn ‘mag-opdrachten’ waren na deze uitleg afgelopen. Heel soms kwamen ze nog terug, rond periodes zoals kerst en vlak voor een vakantie. Mijn reactie? Grinniken, een knipoog en een beetje geduld en dan kwam het wel goed.

Vertrouwen

Ik was geen goede PABO-student. Ook als stagiaire viel ik niet op. Ik vond de opdrachten die we kregen weinig interessant en ik had nog niet de innerlijke drive om er zelf meer van te maken. Sowieso wist ik lang niet of dit wel de juiste opleiding voor mij was en of het vak leerkracht voor mij was weggelegd.

Eens per kwartaal sloot ik mij een week lang op in de mediatheek van de PABO. Daar arriveerde ik met een lange lijst van opdrachten die al af hadden moeten zijn of waarvan de deadline toch verrassend dichtbij  kwam. De één na de andere opdracht tikte ik weg en binnen een week was ik weer helemaal bij. Of ik echt mijn best moest doen? Nee.

Totdat de LIO-stage aanbrak. Dat was ‘voor het eggie’. Ten eerste moest ik een sollicitatiebrief schrijven en een sollicitatiegesprek voeren. En ineens voelde ik: maar dit wil ik. Echt heel graag. Op deze school. En jullie mogen geen andere kandidaat kiezen.

Ik werd gekozen en kreeg de fijnste leerkracht als begeleider van de best intensieve groep 6/7. Mijn geheugen is niet altijd optimaal, maar zijn woorden bij ons eerste gesprek vergeet ik nooit. “Renske, dit is vanaf nu jouw groep. Jij mag de richting bepalen, jij mag doen wat je denkt dat goed is en jij mag de beslissingen nemen. Heb je hulp nodig, dan ben ik er voor je.”

Dit vertrouwen deed mij opbloeien. Ineens was ik echt de juf van deze kinderen. De kennis en vaardigheden die waarschijnlijk al langer onder de oppervlakte aanwezig waren kwamen in volle vaart naar boven en ik heb een fantastische tijd gehad.

Daarnaast heeft het ook de basis gelegd voor hoe ik wil zijn als leerkracht. Ik vertrouw mijn kinderen, zij mogen de richting bepalen en als ze hulp nodig hebben, dan ben ik er voor ze.